Terminologie
In deze uitgebreide definitielijst worden vaak gebruikte termen uit de foutentheorie uitgelegd, met enkele verwijzingen naar artikels uit de Nederlandstalige Wikipedia.
- meten
- meetinstrument gebruiken en aflezen om het meetresultaat van een fysische grootheid te noteren
- meetinstrument
- apparatuur waarmee een fysische grootheid opgemeten wordt
- meetresultaat
- meetwaarde met de meetonzekerheid, notatie met symbool van de grootheid, meetwaarde, absolute meetfout en procentuele meetfout
- meetwaarde
- maatgetal van de grootheid met SI-eenheid
- afleesnauwkeurigheid of resolutie
- de kleinste schaalverdeling op het meetinstrument, bij een digitale aflezing de kleinste afleeswaarde
- absolute meetfout
- de helft van het interval rond de centrale meetwaarde waarbinnen de werkelijke waarde van de grootheid met een bepaalde waarschijnlijkheid ligt; dit interval geeft de meetonzekerheid aan
- afleesfout
- absolute meetfout gelijk aan de helft van de kleinste schaalverdeling of afleesnauwkeurigheid (de algemene regel) of een veelvoud van de afleesnauwkeurigheid (zie tabel, gegevens van fabrikant), ook vaak accuracy genoemd in de gebruiksaanwijzing van een meetinstrument
- relatieve meetfout
- de verhouding van de absolute meetfout tot de meetwaarde
- procentuele meetfout
- de relatieve meetfout in % uitgedrukt
- precisie van een meting
- grote precisie betekent een kleine procentuele meetfout en is dus een aanduiding van een kleine toevallige meetfout of variabiliteit
- procentuele afwijking
- de verhouding van het verschil tussen de meetwaarde en de referentiewaarde tot de referentiewaarde in % uitgedrukt
- juistheid van een meting
- een zeer juiste, accurate (zie accuracy and precision) meting is een meting met een kleine procentuele afwijking tot opzichte van een referentiewaarde, een meting met een kleine vertekening, statische afwijking of bias
- nauwkeurigheid van een meting
- aanduiding van betrouwbaarheid, waarbij zowel de precisie (kleine PF) als de juistheid (kleine PA) een rol spelen
- reproduceerbaarheid
- een nieuwe meting, eventueel in andere omstandigheden, levert dezelfde meetwaarde op
- afronden
- getal afbreken op een aantal beduidende cijfers, waarbij het laatste decimale cijfer volgens de afrondingsregel eventueel met 1 verhoogd wordt
- referentiewaarde
- waarde voor fysische grootheid opgegeven door fabrikant of door docent
- tabelwaarde
- waarde gevonden in een tabellenboek zoals BINAS of HCP
- theoretische waarde
- waarde berekend met een theoretische formule
- literatuurwaarde
- waarde uit boek, tijdschrift of internet
- toevallige meetfout
- meetfout die bij herhaalde metingen zowel toevallig positief als negatief kan zijn en in grootte varieert. De meetwaarden zijn variabel of schommelen rond de werkelijke waarde. Met andere woorden, er zit een zekere spreiding op. Met de wetten van de statistiek bepaalt men de meetfout op het gemiddelde.
- systematische meetfout
- afwijking, meestal in dezelfde zin en dikwijls van dezelfde grootte (met daarboven op nog een toevallige meetfout)
- nulpuntscorrectie, nulpuntsverschuiving
- correctie die doorgevoerd wordt na meting van (de verschuiving van) het nulpunt van een meettoestel (ijking), bijvoorbeeld gebruikmakend van een ijkmaat
- oorzaak van meetfout
- te zoeken bij meetinstrument, meetmethode, waarnemer of externe factoren
- standaardfout S
- de standaardafwijking van de verdeling der steekproefgemiddelden
- meetfout op het gemiddelde
- hiervoor nemen we de waarde 3·S
|
|
|